PDF PDF Print

Profiel

Wie is Dick Schoon?

Ik werd geboren en ben opgegroeid in IJmuiden, een stad aan zee waar het altijd waait. IJmuiden ontstond na het graven van het Noordzeekanaal in 1876. Het is dus een plaats zonder veel verleden, die gebouwd is op visserij en staalindustrie, met doenerige mensen die allemaal van elders kwamen en het met elkaar in soms erbarmelijke omstandigheden moesten zien te rooien. De stad werd zwaar getroffen door de crisisjaren die de visserij lam legden, vervolgens grotendeels afgebroken in WO II en na die oorlog in sneltreinvaart opgebouwd om de snel groeiende bevolking te huisvesten. Door de immigratie van vissers uit Den Helder en Egmond ontstond er een sterke oud-katholieke parochie die zich in getal én karakter kon meten met die van de rooms-katholieke kanaalgravers, de hervormde vissers van Katwijk en de gereformeerde van Scheveningen. Door de gemengde huwelijken werd er oecumene in praktijk gebracht: jongens gingen met vader mee, meisjes met moeder, maar als er ergens iets gevierd werd, ging men samen. Het huwelijk van mijn ouders was extra bijzonder, omdat mijn moeder Hillegonda Wennis oud-katholiek was, maar mijn vader Jan Schoon niet gedoopt of kerkelijk gebonden. Zij lieten elkaar de ruimte en boden die hun vier kinderen ook.

De lagere school volgde ik bij de hervormden in IJmuiden, waar ik hun gezangboek 1938 uit het hoofd moest leren. Daarna ging ik naar het gymnasium in Driehuis, waar het voormalige kleinseminarie van de paters van het Heilig Hart van Jezus zich in de geest van Vaticanum II net had omgevormd tot een algemeen-christelijke scholengemeenschap. Ik studeerde in Amsterdam eerst een paar jaar psychologie en daarna theologie aan de UvA, waar ik hervormden, lutheranen en doopsgezinden tegenkwam. Als oud-katholiek was ik op al die scholen in de minderheid, maar heb daar mijn voordeel mee gedaan: ik hoefde nooit mee te doen met de meerderheid en kon onafhankelijk mijn eigen weg zoeken. In Amsterdam volgde ik met name, zoals zovelen die voor die faculteit kozen, de colleges van Karel Deurloo, die me liet delen in zijn geleerdheid in Tenach. Mijn hoofdvakscriptie ging over Jeremia en na een jaar niets anders lezen – wat een luxe! – kende ik het boek zo ongeveer uit mijn hoofd. Jaren later promoveerde ik aan de VU op de geschiedenis van de oud-katholieken in de 19de eeuw. Bij dat project werd ik deskundig begeleid door mijn promotoren Jan Hallebeek en Jan Jacobs, die mijn goede vrienden zijn geworden. Sindsdien doe ik nog altijd graag onderzoek in de rijke archieven van onze kerk in Haarlem en Utrecht en af en toe vloeit daar nog een lezing of artikeltje uit voort.

 

Waardoor werd ik pastoor?

Als jongetje schijn ik ooit te hebben opgemerkt, dat pastoor Teus Glazemaker dezelfde schoenen droeg als mijn vader – en wie wil als goede zoon niet in diens voetstappen verder gaan? Belangijker was, dat ik de beide IJmuidense parochies leerde kennen als een gemeenschap van mensen die goed naar elkaar omzagen en dat de pastoor dat als een werkelijke herder coördineerde. Net als Glazemaker deed zijn opvolger Fred Smit dat laatste onvermoeibaar. Als ik al een beslissende religieuze ervaring heb gehad die je als roeping zou kunnen beschouwen, was het toen ik als misdienaar tijdens een viering van Witte Donderdag wierook op een kooltje strooide en dacht: “Dit is het.” Na wat omwegen – ik twijfelde aan mijzelf en vond me te jong om pastoor te worden – werd ik in 1989 priester gewijd, waarna ik in de Amsterdamse en IJmuidense parochies aan het werk ging. De zorg voor de gemeenschap is altijd mijn drijfveer gebleven: in de liturgie viert de gemeenschap en deelt ze lief en leed voor Gods aangezicht; in het pastoraat mag je mensen begeleiden op de hoogte- en dieptepunten van hun leven; en in de dienst naar buiten laat de parochie zien dat zij geen doel in zichzelf is, maar op weg naar een grenzenloze gemeenschap van mensen.

 

En toen ook nog bisschop?

Het bisschopsambt kwam op mijn weg nadat ik als deken van de Haarlemse Geestelijkheid een deel van de werkzaamheden van bisschop Bert Wirix tijdens diens ziekte had waargenomen. Toen hij – helaas en nog altijd betreurd – te vroeg overleed, kozen de collega’s en de parochies mij als zijn opvolger. Ik wist inmiddels heel goed, dat het bisschopsambt niet iets is waar je naar hoeft te verlangen. Maar als de kerk je in de kracht van de Geest daarvoor uitkiest, moet je ook wel érg goede redenen hebben om nee te zeggen. Sindsdien 2008 ben ik dus de 18de bisschop van Haarlem sinds 1559, maar ben ik daarnaast ook pastoor in Amsterdam gebleven, tegenwoordig gelukkig samen met Peter-Ben Smit en Marieke Ridder. Het contact met de parochianen is me zeer dierbaar en helpt me om niet weg te zweven in bestuurlijke taken of ten hemel stijgende ambities. Toch nog wat IJmuider nuchterheid?

 

En verder

Toen ik in 1978 in Amsterdam op kamers ging wonen realiseerde ik me, dat ik om niet in de grote stad verloren te lopen iets naast mijn studie moest gaan doen. Nu is sporten mij een gruwel (zie 1 Timotheüs 4,8) en ben ik ook niet creatief in tekenen of toneelspelen, dus meldde ik me aan voor Amsterdamse Universiteitskoor destijds onder leiding van Huub Kerstens. Degene die me daar het eerst begroette was de toenmalige penningmeester Lidwien van Buuren, ooit een van de oprichters van Dolle Mina en toen werkzaam als coördinator vrouwenemancipatie op het Amsterdamse stadhuis. We bleken het goed met elkaar te kunnen vinden en waren vaak de laatsten die na de repetitie uit het café naar huis gingen. Van het één kwam het ander – ik treed niet in details –, in 1982 trok ik bij haar in en drie jaar later trouwden we met een groot feest. Kinderen zijn ons helaas niet gegeven, zodat we al onze energie kunnen besteden aan onze inzet voor kerk en theologie. Lidwien doet tegenwoordig redactiewerk voor het theologentijdschrift De Eerste Dag en voor de seminariereeks van onze kerk. We zijn altijd blijven zingen: zij op het parochiekoor als ik aan het altaar dienst doe, en samen in verschillende kamerkoren. Onze interesse voor van alles en nog wat, maar vooral voor geschiedenis en kunst maakt dat we graag lezen en op vakantie lokale museumpjes bezoeken.